OK Orchestra: Jonny Greenwood met zijn klassieke werk op Best Kept Secret
"Het liefst zou ik mijn composities niet opnemen, je moet het live ervaren"
Naast zijn werk als gitarist en geluidswizard
van Radiohead, is Jonny Greenwood tegenwoordig ook componist, met onder
andere een aantal prominente soundtracks op zijn naam. Juist dat werk
speelt hij zondag 21 juni op popfestival Best Kept Secret.
Zijn werk krijgt steeds prominentere podia. Zo was origineel werk van Greenwood te horen in de Oscar-winnende speelfilm There Will Be Blood, dit jaar werkte hij nog aan cultfilm Inherent Vice. En terwijl Radiohead hortend en stotend werkt aan hun negende album (het komt eraan, echt!), gaat Jonny Greenwood op festivaltour met een orkest. ‘We hebben een overheadprojector uit de 90s met beelden uit de bijbehorende films. Heel amateuristisch. In tegenstelling tot het spel, natuurlijk.’
‘De
eerste keer klinkt het altijd traag en lang, zelfs als het maar drie
minuten duurt. Heel opwindend ook, want meestal heeft zo’n stuk echt
alleen op papier bestaan tot het voor het eerst gespeeld wordt. Het zou
kunnen dat iets niet werkt zoals het moet, of dat er een foutje in zit.
Schrijven is in feite net als programmeren, alleen dan met een grote
rode knop waar je pas op mag drukken als alles klaar is. Als ik eerlijk
ben zie ik mijn eigen werk als een aaneenschakeling van halve successen.
Zodra ik iets voor het eerst hoor, wil ik het overdoen, en beter. Dat
is enorm verslavend.’
Wat is je meest geslaagde compositie?
‘Er
zijn een paar ‘movements’ uit 48 Responses To Polymorphia die ik goed
gelukt vind. Maar dan nog: het oorspronkelijke stuk van Krzysztof
Penderecki was tien minuten lang, ik had er twintig nodig. Penderecki is
een van mijn grote voorbeelden. Hij heeft iets vergelijkbaars gedaan
als wat ik nu doe. Hij speelde op een groot festival in zijn thuisland
Polen en werd daar als een held onthaald. Mensen gilden en schreeuwden
zijn naam. Hetzelfde gebeurde in Londen. Heel bijzonder.’
Hoe ben je op het idee gekomen op festivals te gaan optreden?
‘Ik
deed een residency in Sidney met het Australian Chamber Orchestra, in
een rock venue. Dat was eigenlijk ontzettend leuk. De mensen stonden
allemaal, er was een bar, het werd daardoor heel informeel. De stukken
die we spelen zijn vrij kort, vergelijkbaar met liedjes. Tussen de
stukken door praten mensen met elkaar of halen ze een drankje. In Londen
deden we ook zo’n optreden. Met festivals heb ik nog niet veel
ervaring, maar ik heb wel op Glastonbury opgetreden. Het was de derde
dag, 10:00 uur ’s ochtends en het regende. Ik stond letterlijk voor
twintig mannen in gele hesjes te spelen, die het afval van de vorige dag
opruimden. Tegen het einde kwamen er gelukkig wat meer mensen bij. Ach,
weer eens wat anders.’
Bijna al je eigen stukken zijn zo kort. In een uur speel je wel zeven, acht stukken.
‘Het
is ongetwijfeld mijn zwakte. Gangbaar is immers om langere stukken te
maken, maar ik heb daar de concentratie niet voor, noch als luisteraar,
noch als componist. Plus: mijn hoofd is nog altijd bij Radiohead. Een
idee duurt voor mij maar een paar minuten.’
Ik
kan me voorstellen dat het een van de redenen is waarom je je zo in
filmscores bent gaan verdiepen. Bij een filmscene hoef je nooit meer dan
een paar minuten te componeren. Vaak is twintig seconden genoeg.
‘Absoluut.
En het geeft mijn muziek veel meer aandacht. Dat zie ik terug bij
optredens: mensen kennen de films, en daardoor ook de muziek.’
Je
werkt nu al drie films op een rij met regisseur Paul Thomas Anderson.
Eerst There Will Be Blood, vervolgens The Master en meest recent
Inherent Vice. Jullie zijn min of meer dezelfde leeftijd. Zijn eerste
grote film Boogie Nights kwam uit toen jullie midden in het OK
Computer-circus zaten. Kende je hem toen al?
‘Nee,
ik heb die film pas later gezien. We hebben elkaar ontmoet toen we in
Los Angeles Hail To The Thief opnamen. Hij had wat fan-opnames gevonden
van een optreden dat ik bij de BBC gegeven had. Hij wilde dat graag
gebruiken. We hebben contact gehouden, en hij vroeg me voor There Will
Be Blood nieuwe stukken te schrijven. Ik had geen idee dat het zo’n
grote film zou worden.’
‘Een
idioot. Hij is heel energiek en grappig. Ik ben enorm onder de indruk
van de manier waarop hij werkt. Neem There Will Be Blood: uit het
oorspronkelijke boek heeft hij misschien drie pagina’s gebruikt. Een
schets van een karakter, een man die olie vindt en rijk wordt. De rest
heeft hij zelf geschreven, en vervolgens geregisseerd. Hij kan je heel
goed voor zich winnen met zijn charme. Zo begon ik met de opdracht voor
Inherent Vice met het kader ‘minimalistisch, elektronisch, twee
muzikanten’. Even later kwam ie met Brahms en Bernard Herrmann als
inspiraties en ging het om een heel orkest, wat ik nog nooit eerder had
gedaan. Mijn taak was de romance in de film te onderstrepen. Door
serieuze accenten te zetten moest ik laten zien dat de film niet een
grote grap was. Er zit trouwens een kleine knipoog naar me in Inherent
Vice. De keyboardspeler van de fictieve band Spotted Dick heeft mijn
haar en mijn stem.’
Wat vind je goed aan zijn films?
‘Ik
houd van de manier waarop Paul Amerika documenteert. Iemand die in de
jaren tachtig in L.A. woonde stelde dat Boogie Nights in die zin het
best gelukt is. Die hele sleazy sfeer van die film, die kende hij uit
die tijd. Ik weet nog dat toen wij voor het eerst naar Amerika gingen,
we een soort dankbaarheid voelden. We mochten in beroemde venues in
Nashville optreden, en dan met onze tourbus doorrijden naar Athens,
Georgia, waar R.E.M. vandaan kwam. Veel Engelsen hadden in die tijd de
mentaliteit: Amerika is kut, en wij gaan het veroveren.’
Hoe verhoudt dit werk zich tot Radiohead?
‘Ik
heb altijd het gevoel dat ik nieuwe technieken aan het leren ben voor
toekomstige liedjes, en dan vooral voor vioolarrangementen. De valkuil
waar veel muzikanten in vallen, is dat ze demo’s maken met hun laptop.
Maar op een computer zit maar een vioolgeluid, terwijl een gespannen
snaar op een houten kastje van alles en nog wat kan. Ik word daar
zelfverzekerder in, durf de spelers nu vragen rare dingen te doen. Er
zit een passage in There Will Be Blood, waar de lage snaren zover
ontstemd zijn dat ze bijna los hangen. Je krijgt daar een kwaadaardig,
diep grommend geluid van. Dat krijg je nooit voor elkaar met een
computer.’
De tijd die verstrijkt tussen
Radiohead-albums wordt steeds groter. Ik stel me zo voor dat iedereen
veel meer verschillende nieuwe ideeën mee naar de studio neemt dan in de
tijd dat je samen op tour ging en daarna rechtstreeks de studio in.
‘Zeker.
Thom is altijd op zoek naar nieuwe technologie, net als Phil, eigenlijk
iedereen. We hebben nu wel iets te lang stil gestaan, waardoor het
opstarten veel tijd kostte. We werken nu periodes, af en aan. Vanmiddag
ga ik met Thom werken aan een nummer waarmee we gisteren begonnen zijn.
Kijken waar het toe leidt.’
Je manager
Bryce Edge zei ook dat jullie ook werken aan een heel oud nummer, Lift.
Jullie hebben het ooit op Pinkpop eens gespeeld?
‘Oh
ja? Zei hij dat? Het is nogal een management-favoriet. Wat mensen niet
weten, is dat op elk album wel een nummer staat dat al veel langer
bestaat. Op In Rainbows bijvoorbeeld stond het nummer Nude, dat al
twintig jaar bestond. De eerste versie was niet wezenlijk anders, je zou
het herkennen, maar we hebben nooit het juiste arrangement gevonden.
Lift is ook zo’n oud liedje, dat nog niet de juiste vorm gevonden heeft.
Maar als een idee goed is, blijft het ook goed, in welke vorm dan ook.
Wist je dat Heart Of Glass van Blondie oorspronkelijk een country &
western nummer was? Het werd uiteindelijk een pop-disco-classic.’
Al
je filmscores staan op Spotify. Is dat een rechtenkwestie, of denk je
er anders over dan Thom Yorke, die zeer fel tegenstander is?
‘Nee,
zelf zou ik ze er nooit op zetten. Als het op mijn orkestrale werk
aankomt ben ik zelfs nog militanter dan Thom. Het liefst zou ik het
namelijk nooit opnemen. Ik vind het verschil tussen een orkest horen in
een concertzaal en de opname ervan zo verschrikkelijk groot, dat de
opname nauwelijks recht doet. Maar ik realiseer me ook dat het
snobistisch is. Niet iedereen heeft de mogelijkheid om naar concerten te
gaan. Het gekke is ook: ik heb geen immens duur geluidssysteem thuis
staan. In die val ben ik in mijn vroege twintiger jaren bijna getrapt.
Naar een hi-fi winkel gaan is net als de hoeren bezoeken. Er zijn alleen
maar mannen, er hangt een ongemakkelijke sfeer, niemand kijkt elkaar
aan.’
Je bent wel
een geluidsperfectionist. Je sleept je ingewikkelde modulaire
synthsysteem mee het podium op, met allemaal losse draden en knoppen om
het geluid mee te manipuleren. Wat is het verschil?
‘Samples
klinken simpelweg niet goed. Het trekt me ook aan dat het met modulaire
synths fout kan gaan. Dat gebeurde ook een keer, met Idioteque, het
laatste nummer van de set. Het nummer stortte volledig in elkaar. Thom
was razend, maar alle andere tachtig shows ging het wel goed. Misschien
klinkt het pretentieus, maar een modular is meer een snaarinstrument dan
een computer, en dat wil ik graag. Ik denk dat mensen het horen, en ik
hoop dat ze accepteren dat ze daardoor ook kwetsbaar zijn. Er zit
trouwens een geweldig sample in Idioteque, van de Amerikaanse componist
Paul Lansky, die in zijn jonge jaren een geweldige serie elektronische
experimenten maakte. Ja, het blijft een geweldig nummer om te spelen.’

