blogsurf

zondag 21 juni 2015

Best Kept Secret: Jonny Greenwood vertolkt bijzonder klassieke schoonheid

En het publiek speelt mee op telefoon

  • Tekst: Timo Pisart, foto's: Ben Houdijk 
  • 21 juni 2015
Jonny Greenwood live op Best Kept Secret 2015
Jonny Greenwood live op Best Kept Secret 2015

Mocht je onverhoopt geen flauw idee hebben van welke band je Jonny Greenwood ook alweer kent, de grote paarse flightcase op het podium geeft het al weg: "RADIOHEAD" staat er in dikke blokletters. Greenwood is echter niet door Best Kept Secret uitgenodigd om het werk te vertolken van zijn wereldberoemde band, maar het hedendaags klassieke werk dat hij componeerde voor verschillende films. En dat werkt prachtig op de zondagochtend.

HET CONCERT:

Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra, Best Kept Secret Stage One, zondag 21 juni 2015

DE ACT:

Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015
Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015

Dat Greenwood niet alleen een van 's werelds meest gewaardeerde gitaristen is maar ook een fantastisch componist, zal voor de meesten niet zo uit de lucht komen vallen als die hoosbui van eerder vandaag. Radiohead-meesterwerk Exit Music (For A Film) uit 1997 bevatte al de blauwdruk voor zijn filmische werk met strijkers: dissonant, vervreemdend en spookachtig, eerder wringend en ontstemmend dan romantisch, zoals de meeste rockbands orkestraties inzetten. Op Kid A werkte Greenwood zijn buitengewone compositievaardigheden al verder uit, daarna componeerde hij de soundtracks voor onder andere The Master, Inherent Vice, We Need To Talk About Kevin, Norwegian Wood en There Will Be Blood. Die laatste is verreweg zijn beste, vandaag voeren hij en het London Contemporary Orchestra er drie composities van uit.

Daarin hoor je meteen ook dat je Greenwood vooral NIET moet scharen bij indie-klassieke tijdgenoten als Ólafur Arnalds, Nils Frahm, Bryce Dessner (The National), Nico Muhly, maar eerder met hedendaags klassieke componisten als Krzysztof Penderecki, Toru Takemitsu en Arvo Pärt.

In stukken als 'Prospectors Arrive' en 'Future Markets' laat Greenwood de strijkers maniakaal aan de snaren plukken, dissonante akkoorden neerleggen en onaardse tonen voortbrengen. In opener 'Miniature' legt Greenwood een drone neer met sitar, in 'Vocalise Étude (1935)' vervangt hij de zangpartij met een Ondes Martenot, een van de allereerste elektronische instrumenten, met een spookachtig geluid dat een ver familielied zou kunnen zijn van de theremin.

HET NUMMER:

Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015
Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015

Ondertussen staat in onze ooghoek ook nog een tweetal gitaren klaar. Zou Greenwood die ook nog ter hand nemen? Jazeker, halverwege de set pakt hij er een Gibson Les Paul bij om solo 'Electric Counterpoint' van Steve Reich uit te voeren, een hypnotiserend, pulserend hoogtepunt van dik tien minuten. Na een traag middenstuk beginnen de hoofden in het publiek zowaar op en neer te deinen: dit klinkt bijna als… de minimalistische Steve Reich-versie van Afropop?

HET MOMENT:

Ook de cellist wordt in de schijnwerpers gezet, in zijn eentje vertolkt hij het ijzingwekkende 'Love' uit de film Under The Skin. Hij samplet zijn cello en weeft steeds meer melodielijnen over elkaar heen, om te eindigen met een vervormd, schel geluid dat direct binnenkomt en een luid applaus uitlokt.

OOK OPMERKELIJK:

Het waait wat hard, en daardoor wappert er af en toe een pagina bladmuziek weg. Geen zorgen: het orkest speelt stoïcijns door.

 

Natuurlijk, met Radiohead zag Greenwood velden die vele maten groter waren en nog veel voller stonden. Maar gezien het vroege uur en de hoosbui van zojuist valt de opkomst alleszins mee. Sterker nog: richting het einde van de set is het hoofdveld bijzonder goed volgelopen met toehoorders. Tijdens 'Self Portrait With Seven Fingers' worden we uitgenodigd om de mobieltjes erbij te pakken en deze website te openen. Al gauw klinken over het hele veld hoge, etherische belgeluiden. "Ik heb opgetreden met Jonny Greenwood", kirt een jongen vooraan. "Ik speelde telefoon!"

HET OORDEEL:

Fantastische boeking die al even goed uitpakt. Het is waanzinnig om deze kant van Jonny Greenwood op een openlucht-popfestival te kunnen aanschouwen. En dan niet stijfjes uitgevoerd, maar heerlijk nonchalant in slobberige houthakkersblouse en spijkerbroek gestoken.

DE FOTO:

Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015
Jonny Greenwood & The London Contemporary Orchestra live op Best Kept Secret 2015

woensdag 17 juni 2015





OK Orchestra: Jonny Greenwood met zijn klassieke werk op Best Kept Secret

"Het liefst zou ik mijn composities niet opnemen, je moet het live ervaren"


  • Atze de Vrieze
  • 16 juni 2015


Naast zijn werk als gitarist en geluidswizard van Radiohead, is Jonny Greenwood tegenwoordig ook componist, met onder andere een aantal prominente soundtracks op zijn naam. Juist dat werk speelt hij zondag 21 juni op popfestival Best Kept Secret.
                   
Fans van Radiohead kennen hem als die excentriekeling met die lange zwarte lok voor zijn ogen. Na frontman Thom Yorke is hij het bekendste gezicht van de band, en met zijn intense spel ook de man die het meest zijn stempel op het geluid drukt. In de luwte werkt hij aan een carriere als klassiek componist. Met neoklassieke tijdgenoten als Olafur Arnalds en Nils Frahm voelt hij weinig verwantschap, wel met vooruitstrevende twintigste-eeuwse componisten als Krzysztof Penderecki, Olivier Messiaen, Arvo Pärt en Toru Takemitsu.

Zijn werk krijgt steeds prominentere podia. Zo was origineel werk van Greenwood te horen in de Oscar-winnende speelfilm There Will Be Blood, dit jaar werkte hij nog aan cultfilm Inherent Vice. En terwijl Radiohead hortend en stotend werkt aan hun negende album (het komt eraan, echt!), gaat Jonny Greenwood op festivaltour met een orkest. ‘We hebben een overheadprojector uit de 90s met beelden uit de bijbehorende films. Heel amateuristisch. In tegenstelling tot het spel, natuurlijk.’
Als je interviews geeft over je orkestrale werk, valt een ding meteen op: je ogen beginnen te twinkelen en je lijkt met al je ervarenheid als muzikant overweldigd door wat zo’n orkest allemaal kan. Wat doet het je om een stuk voor het eerst te horen?
‘De eerste keer klinkt het altijd traag en lang, zelfs als het maar drie minuten duurt. Heel opwindend ook, want meestal heeft zo’n stuk echt alleen op papier bestaan tot het voor het eerst gespeeld wordt. Het zou kunnen dat iets niet werkt zoals het moet, of dat er een foutje in zit. Schrijven is in feite net als programmeren, alleen dan met een grote rode knop waar je pas op mag drukken als alles klaar is. Als ik eerlijk ben zie ik mijn eigen werk als een aaneenschakeling van halve successen. Zodra ik iets voor het eerst hoor, wil ik het overdoen, en beter. Dat is enorm verslavend.’
Wat is je meest geslaagde compositie?
‘Er zijn een paar ‘movements’ uit 48 Responses To Polymorphia die ik goed gelukt vind. Maar dan nog: het oorspronkelijke stuk van Krzysztof Penderecki was tien minuten lang, ik had er twintig nodig. Penderecki is een van mijn grote voorbeelden. Hij heeft iets vergelijkbaars gedaan als wat ik nu doe. Hij speelde op een groot festival in zijn thuisland Polen en werd daar als een held onthaald. Mensen gilden en schreeuwden zijn naam. Hetzelfde gebeurde in Londen. Heel bijzonder.’
Hoe ben je op het idee gekomen op festivals te gaan optreden?
‘Ik deed een residency in Sidney met het Australian Chamber Orchestra, in een rock venue. Dat was eigenlijk ontzettend leuk. De mensen stonden allemaal, er was een bar, het werd daardoor heel informeel. De stukken die we spelen zijn vrij kort, vergelijkbaar met liedjes. Tussen de stukken door praten mensen met elkaar of halen ze een drankje. In Londen deden we ook zo’n optreden. Met festivals heb ik nog niet veel ervaring, maar ik heb wel op Glastonbury opgetreden. Het was de derde dag, 10:00 uur ’s ochtends en het regende. Ik stond letterlijk voor twintig mannen in gele hesjes te spelen, die het afval van de vorige dag opruimden. Tegen het einde kwamen er gelukkig wat meer mensen bij. Ach, weer eens wat anders.’
Bijna al je eigen stukken zijn zo kort. In een uur speel je wel zeven, acht stukken. 
‘Het is ongetwijfeld mijn zwakte. Gangbaar is immers om langere stukken te maken, maar ik heb daar de concentratie niet voor, noch als luisteraar, noch als componist. Plus: mijn hoofd is nog altijd bij Radiohead. Een idee duurt voor mij maar een paar minuten.’
Ik kan me voorstellen dat het een van de redenen is waarom je je zo in filmscores bent gaan verdiepen. Bij een filmscene hoef je nooit meer dan een paar minuten te componeren. Vaak is twintig seconden genoeg. 
‘Absoluut. En het geeft mijn muziek veel meer aandacht. Dat zie ik terug bij optredens: mensen kennen de films, en daardoor ook de muziek.’
Je werkt nu al drie films op een rij met regisseur Paul Thomas Anderson. Eerst There Will Be Blood, vervolgens The Master en meest recent Inherent Vice. Jullie zijn min of meer dezelfde leeftijd. Zijn eerste grote film Boogie Nights kwam uit toen jullie midden in het OK Computer-circus zaten. Kende je hem toen al?
‘Nee, ik heb die film pas later gezien. We hebben elkaar ontmoet toen we in Los Angeles Hail To The Thief opnamen. Hij had wat fan-opnames gevonden van een optreden dat ik bij de BBC gegeven had. Hij wilde dat graag gebruiken. We hebben contact gehouden, en hij vroeg me voor There Will Be Blood nieuwe stukken te schrijven. Ik had geen idee dat het zo’n grote film zou worden.’
Wat is het voor man, die Paul Thomas Anderson?
‘Een idioot. Hij is heel energiek en grappig. Ik ben enorm onder de indruk van de manier waarop hij werkt. Neem There Will Be Blood: uit het oorspronkelijke boek heeft hij misschien drie pagina’s gebruikt. Een schets van een karakter, een man die olie vindt en rijk wordt. De rest heeft hij zelf geschreven, en vervolgens geregisseerd. Hij kan je heel goed voor zich winnen met zijn charme. Zo begon ik met de opdracht voor Inherent Vice met het kader ‘minimalistisch, elektronisch, twee muzikanten’. Even later kwam ie met Brahms en Bernard Herrmann als inspiraties en ging het om een heel orkest, wat ik nog nooit eerder had gedaan. Mijn taak was de romance in de film te onderstrepen. Door serieuze accenten te zetten moest ik laten zien dat de film niet een grote grap was. Er zit trouwens een kleine knipoog naar me in Inherent Vice. De keyboardspeler van de fictieve band Spotted Dick heeft mijn haar en mijn stem.’
Wat vind je goed aan zijn films?
‘Ik houd van de manier waarop Paul Amerika documenteert. Iemand die in de jaren tachtig in L.A. woonde stelde dat Boogie Nights in die zin het best gelukt is. Die hele sleazy sfeer van die film, die kende hij uit die tijd. Ik weet nog dat toen wij voor het eerst naar Amerika gingen, we een soort dankbaarheid voelden. We mochten in beroemde venues in Nashville optreden, en dan met onze tourbus doorrijden naar Athens, Georgia, waar R.E.M. vandaan kwam. Veel Engelsen hadden in die tijd de mentaliteit: Amerika is kut, en wij gaan het veroveren.’
Hoe verhoudt dit werk zich tot Radiohead?
‘Ik heb altijd het gevoel dat ik nieuwe technieken aan het leren ben voor toekomstige liedjes, en dan vooral voor vioolarrangementen. De valkuil waar veel muzikanten in vallen, is dat ze demo’s maken met hun laptop. Maar op een computer zit maar een vioolgeluid, terwijl een gespannen snaar op een houten kastje van alles en nog wat kan. Ik word daar zelfverzekerder in, durf de spelers nu vragen rare dingen te doen. Er zit een passage in There Will Be Blood, waar de lage snaren zover ontstemd zijn dat ze bijna los hangen. Je krijgt daar een kwaadaardig, diep grommend geluid van. Dat krijg je nooit voor elkaar met een computer.’
De tijd die verstrijkt tussen Radiohead-albums wordt steeds groter. Ik stel me zo voor dat iedereen veel meer verschillende nieuwe ideeën mee naar de studio neemt dan in de tijd dat je samen op tour ging en daarna rechtstreeks de studio in.
‘Zeker. Thom is altijd op zoek naar nieuwe technologie, net als Phil, eigenlijk iedereen. We hebben nu wel iets te lang stil gestaan, waardoor het opstarten veel tijd kostte. We werken nu periodes, af en aan. Vanmiddag ga ik met Thom werken aan een nummer waarmee we gisteren begonnen zijn. Kijken waar het toe leidt.’
Je manager Bryce Edge zei ook dat jullie ook werken aan een heel oud nummer, Lift. Jullie hebben het ooit op Pinkpop eens gespeeld?
‘Oh ja? Zei hij dat? Het is nogal een management-favoriet. Wat mensen niet weten, is dat op elk album wel een nummer staat dat al veel langer bestaat. Op In Rainbows bijvoorbeeld stond het nummer Nude, dat al twintig jaar bestond. De eerste versie was niet wezenlijk anders, je zou het herkennen, maar we hebben nooit het juiste arrangement gevonden. Lift is ook zo’n oud liedje, dat nog niet de juiste vorm gevonden heeft. Maar als een idee goed is, blijft het ook goed, in welke vorm dan ook. Wist je dat Heart Of Glass van Blondie oorspronkelijk een country & western nummer was? Het werd uiteindelijk een pop-disco-classic.’
Al je filmscores staan op Spotify. Is dat een rechtenkwestie, of denk je er anders over dan Thom Yorke, die zeer fel tegenstander is?
‘Nee, zelf zou ik ze er nooit op zetten. Als het op mijn orkestrale werk aankomt ben ik zelfs nog militanter dan Thom. Het liefst zou ik het namelijk nooit opnemen. Ik vind het verschil tussen een orkest horen in een concertzaal en de opname ervan zo verschrikkelijk groot, dat de opname nauwelijks recht doet. Maar ik realiseer me ook dat het snobistisch is. Niet iedereen heeft de mogelijkheid om naar concerten te gaan. Het gekke is ook: ik heb geen immens duur geluidssysteem thuis staan. In die val ben ik in mijn vroege twintiger jaren bijna getrapt. Naar een hi-fi winkel gaan is net als de hoeren bezoeken. Er zijn alleen maar mannen, er hangt een ongemakkelijke sfeer, niemand kijkt elkaar aan.’

Je bent wel een geluidsperfectionist. Je sleept je ingewikkelde modulaire synthsysteem mee het podium op, met allemaal losse draden en knoppen om het geluid mee te manipuleren. Wat is het verschil?
‘Samples klinken simpelweg niet goed. Het trekt me ook aan dat het met modulaire synths fout kan gaan. Dat gebeurde ook een keer, met Idioteque, het laatste nummer van de set. Het nummer stortte volledig in elkaar. Thom was razend, maar alle andere tachtig shows ging het wel goed. Misschien klinkt het pretentieus, maar een modular is meer een snaarinstrument dan een computer, en dat wil ik graag. Ik denk dat mensen het horen, en ik hoop dat ze accepteren dat ze daardoor ook kwetsbaar zijn. Er zit trouwens een geweldig sample in Idioteque, van de Amerikaanse componist Paul Lansky, die in zijn jonge jaren een geweldige serie elektronische experimenten maakte. Ja, het blijft een geweldig nummer om te spelen.’

vrijdag 6 maart 2015

Roy Andersson op dvd

Gortdroog existentialisme

20 december 2010

 

 

Een dvd-box met het oeuvre van de eigenzinnige Zweedse filmmaker Roy Andersson is helaas niet compleet, maar geeft een overtuigend overzicht van de ontwikkeling van zijn vaak gortdroge stijl.

Roy Andersson debuteerde in 1970 met de speelfilm A Swedish Love Story (En kärlekshistoria), in 1975 gevolgd door Giliap. Zijn doorbraak kwam pas in 2000 met Songs from the Second Floor (Sånger från andra våningen) en zijn laatste film is You, the Living (Du levande, 2007). Tussen deze lange films door heeft hij twee korte films gemaakt, die beide op de dvd-box zijn verschenen: Something Happened (Någonting har hänt) uit 1987 en World of Glory (Härlig är jorden) uit 1991, waarvan de eerste handelt over de mythen rondom AIDS. Het leeuwendeel van zijn carrière bestaat echter uit het maken van reclamefilmpjes, meer dan vierhonderd in totaal.

Statische shots

 
Giliap
De speelfilms zijn op te delen in twee categorieën, die beide, met een tussenruimte van een kwart eeuw, een decennium beslaan. De eerste twee films uit respectievelijk 1970 en 1975 kenmerken zich door een verhaallijn opgebouwd rond enkele thema's, die op een conventionele manier wordt getoond. Hier en daar is een lichte hint terug te vinden van de stijl die Andersson in zijn laatste twee films laat zien, uit respectievelijk 2000 en 2007. Meer nog dan de eerste twee films lijken de laatste twee sterk op elkaar, alsof het één film is, opgedeeld in tweeën. Ondanks het zeer eigenzinnige karakter van Songs from the Second Floor en You, the Living grijpt de laatste op zijn beurt terug naar enkele elementen die in Giliap (helaas geen onderdeel van de box) aanwezig zijn, zoals het veelvuldig aanwezig zijn van koperen blaasinstrumenten. Opvallend aan alle films van Andersson is dat hij doorgaans gebruik maakt van amateuracteurs, die niet zelden recht in de camera kijken. Hiermee breekt de regisseur met een belangrijke filmregel. In zijn latere films kenmerkt zijn stijl zich door statische shots, met prachtig kleur- en lichtgebruik.

 

 

 
World of Glory
De korte films, World of Glory en Something Happened, kenmerken zich beide door een tableaustijl, die Andersson in zijn latere speelfilms consequent doorzet. World of Glory opent met een verwijzing naar nazi-gruweldaden, ook iets dat in zijn latere langspeelfilms terugkomt. Naar eigen zeggen heeft hij deze scènes in zijn films verwerkt omdat hij sinds zijn jonge jaren wordt achtervolgd door het idee dat beschaafde mensen tot zulke wreedheden in staat zijn. Na de openingsscène wordt de film verteld door een makelaar, die in korte fragmenten zijn leven aan ons toont. De soms gortdroge stijl is in deze korte film nog in ontwikkeling. Later grossiert Andersson hierin, met name in Songs from the Second Floor. Something Happened kan gezien worden als een mockumentary over AIDS. Met korte schetsen en wat feitenonderzoek wordt het ontstaan en AIDS-preventie onder de loep genomen. Hierin wordt de zwarte humor niet geschuwd: het ontstaan van de ziekte wordt gepresenteerd door een professor, die met hilarische lichaamstaal laat zien hoe de ziekte volgens hem bij mensen is overgedragen toen een neger werd gebeten door een meerkat.

 

Realistische insteek

 
A Swedish Love Story
A Swedish Love Story, Anderssons debuut, onderscheidt zich van de andere films door zijn veel conventionelere aanpak. Het verhaal vertelt over een ontluikende liefde tussen twee tieners. Met de nodige tegenslagen komen zij uiteindelijk tot elkaar en leren ook hun ouders elkaar kennen, wat tot een bizar en grimmig slot leidt. De film laat het Zweden van begin jaren zeventig zien door de ogen van mensen uit verschillende sociale klassen. Deze veel realistischere insteek verschilt van de meer surrealistische en absurdistische verteltrant van zijn latere films. Desondanks wordt ook deze film gedragen door een existentialistische onderlaag.

 

In Songs from the Second Floor presenteerde Andersson zijn eigenzinnige volwassen stijl, waarmee hij zichzelf internationaal op de kaart zette. Alle elementen uit zijn eerdere films, zoals zijn oog voor de menselijke conditie, absurde humor en de in de korte films gebruikte tableaustijl komen hier bij elkaar in een 98 minuten durende climax, waarin menselijk leed wordt verpakt in absurdisme, surrealisme, existentialisme, maar bovenal droge en dikwijls zwarte humor.

Faillissement

 
Songs from the Second Floor
De film als geheel beschrijven is lastig (bij You, the Living wordt dat nog lastiger). In 64 tableaus worden meerdere verhaallijnen uiteengezet, waarbij zich gaandeweg enkele rode draden ontvouwen. Een daarvan is de persoon Kalle, wiens lijden we vanuit ongewone camerastandpunten leren kennen. Kalles zoon is een dichter die uiteindelijk is doorgedraaid. Deze treurige gebeurtenis veroorzaakt voor Kalle een reeks persoonlijke catastrofes, met als thema faillissement. En waar dat bij Kalle vooral financieel lijkt, laat Andersson op de achtergrond zien dat ons kapitalistische systeem een veel groter faillissement in zich heeft, namelijk dat van onze menselijke waarden. Dit laatste wordt meesterlijk neergezet in de laatste scène van de film. Een andere rode draad is de ervaring van de tijd, die door de files, oude mensen, vertraagde cinema en anachronismen meerdere keren aan bod komt.

 

De manier waarop Andersson in deze film met voorgrond en achtergrond speelt, en de manier waarop hij zijn humor laat ontstaan, doen denken aan Jacques Tati: afleiding op de achtergrond, zodat de achtergrond voorgrond wordt en omgekeerd. Maar waar Tati vaak uiterst secure en drukke mises-en-scène maakte, heeft Andersson voldoende aan een minimaal, maar eveneens secuur uitgewerkte situatie. De statische uitwerking en de precisie van alle elementen in een scène maken dat ogenschijnlijk normale situaties plotseling gortdroog worden. Wanneer dan plotseling de camera wel een keer beweegt, voelt dat vreemd aan.

Droomlogica

 
You, the Living
In You, the Living (Du levande), gebaseerd op een gedicht van J.W. von Goethe, is nog minder sprake van een plot. Meer nog dan in Songs from the Second Floor nagelt Andersson onze onontkoombare menselijke conditie vast, karikaturaal en cartoonesk. In deze film is er werkelijk geen ontsnappen aan. You, the Living is subtiel vormgegeven door een uitmuntende belichting, die zo is, dat er vrijwel geen schaduwen zichtbaar zijn. De bekentenis van een psychiater vat de film mooi samen. Hij is opgehouden te geloven dat mensen goed, aardig of lief zijn. Hij koestert niet langer de illusie dat de mens wel te redden valt door gesprekstherapie. Sinds hij begonnen is met het voorschrijven van pillen, is zijn werk weer leuk geworden, want daarvoor was hij bijna zelf levensmoe geworden.

 

Een ander terugkerend thema is de droom. We zien eerst een personage zijn of haar droom vertellen, en daarna, al smullend van het verhaal, zien we deze droom uitgebeeld. De film zelf volgt deels zelf de logica van een droom, en dus wordt hetgeen je ervaart als kijker, je nogmaals als een spiegel voorgehouden. Want ondanks dat de verschillende tableaus haaks op elkaar lijken te staan, ervaar je wel een zekere samenhang. De camera fungeert in You, the Living meer nog dan in de andere films als een raam naar de wereld. Alsof wij, de kijker (of de levenden) van een andere planeet komen en de mens in al zijn eigenaardigheden leren kennen. Keer op keer uitvergroot, veelal gortdroog gebracht.

De 'Roy Andersson Collection' wordt door Lumière gedistribueerd en bevat A Swedish Love Story, Songs from the Second Floor, You, the Living en de korte films Something Happened en World of Glory. Giliap wordt (met alleen Zweedse ondertiteling) gedistribueerd door Sandrews in Zweden, waar ook de Engels ondertitelde set '5 x Roy Andersson' (Scanbox) met de korte films en Anderssons studiefilms te koop is.

 

Filmmaker Roy Andersson zet zijn camera stil in een absurdistische wereld

Een still uit A Pigeon Sat on a Branch (2014).

Een still uit A Pigeon Sat on a Branch (2014). Screenshot Cine maldito

Een treurige, vermoeide oude man in een chique kantoor. In de ene hand een pistool, in de andere een ouderwetse telefoon. Hij luistert en prevelt soms wat in de hoorn. Ja, ja. En dan: “Ik ben blij te horen dat het zo goed met je gaat.”

Een ultiem Roy Andersson-moment. Hij is de Zweedse grootmeester van het droefkomische absurdisme. Zijn film A Pigeon Sat on a Branch, Reflecting on Existence werd gisteren op het 71ste filmfestival in Venetië, La Biennale, met groot enthousiasme onthaald.

 

 

In de krant haal ik vandaag de strenge woorden van critica Pauline Kael aan: “herhaling zonder ontwikkeling is verval”. Nu al besef ik dat het in sommige gevallen onzin is. Moet een schilder als Edward Hopper zich ‘ontwikkelen’? Moet Roy Andersson dat? Wat hij doet is uniek.

De Zweedse regisseur Roy Andersson doet nu exact hetzelfde als hij al vijftien jaar geleden deed, in You, the Living (2000) en Songs From the Second Floor (2007). Een filmtrilogie, maar eigenlijk één doorlopende film.

De trailer van You, the Living:

 

 

En Songs from the Second Floor:

 

 

Stille beelden van desolate plaatsen

Ziet u het verschil? Anderssons camera registreert al vijftien jaar bewegingloos desolate keukens, slaapkamers, bars en gangen vol gesloten deuren. Zijn kleurenpalet is miserabel groen, grijs en crème. Alles oogt extreem saai, maar vergis u niet: passagiers van een metrorijtuig kunnen zomaar, met onbewogen blik, een opera aanheffen. De 17de-eeuwse krijgsheer Karel XII kan met paard en aanhang een kroeg binnen galopperen. In Anderssons’ wereld is dat normaal.

Alleen toeschouwers hebben er lol om

Zijn helden zijn morsige, gekreukelde zakenlui die vergeefs hopen op succes. In deze film zijn dat Jonathan en Sam, een droeve Laurel & Hardy die fopartikelen verkopen: vampiertanden, een lachkussen, een masker van Oompje Eenoog - “een nieuwe artikel waar we veel van verwachten”. Ze wanen zich in de ‘entertainment-business’. Willen mensen helpen pret te hebben.

Maar de enige die pret hebben zijn wij, de toeschouwers. Voor Anderssons helden valt er niets te lachen: ze zijn eenzaam, fragiel en verloren, ze snakken naar liefde en begrip. En ze doen daar malle en treurige dingen voor. Soms richten ze zich direct tot de zaal, al kunnen wij ze niet helpen. Net zomin als al die mensen die vaak op de achtergrond zwijgend toekijken als iemand sterft, een pak slaag krijgt of zichzelf vernedert.

Een trilogie voor de eeuwigheid

Een film kost Andersson zo’n zeven jaar: zo krijgt hij zijn timing perfect. Hij priegelt het nauwkeurig in elkaar in zijn eigen studio, niks is echt. Zo wordt elke scène een vondst, elke film een meesterwerk en de trilogie iets voor de eeuwigheid. Alleen Roy Andersson maakt de tragiek van het leven zo godvergeten grappig.

Hoe hij dat betaalt? Met commercials die ook weer gewoon Anderssonfilms zijn. Zoals deze.

 

 

A Pigeon Sat On A Branch Reflecting On Existence: liefdevol en meedogenloos (*****)

 
04-03-15   11:32 uur  - Bron: Het Parool
 
© Roy Andersson
Recensie

Er zit geen misser tussen de negentig minuten van Roy Anderssons droogkomische meesterwerk A Pigeon Sat On A Branch Reflecting On Existence, dat zowel liefdevol als meedogenloos is.

 
A pigeon sat on a branch reflecting on existence

Ons oordeel: ★★★★★
Bioscoop: Eye, Kriterion, Rialto
Regie: Roy Andersson
Met: Holger Andersson, Nils Westblom, Lotti Törnros, Jonas Gerholm, Ola Stensson

Met Roy Andersson kun je lachen. De Zweed doopte zijn nieuwe film A Pigeon Sat On A Branch Reflecting On Existence, maar de duif in het openingsbeeld is een opgezet en nogal krakkemikkig exemplaar, dat in een museumvitrine op een takje zit. Het beestje wordt bekeken door een meneer met een lijkbleek gezicht, dat suggereert dat ook hij bijna opgebaard kan worden.

Dan volgt een huishoudelijke mededeling: we kijken naar het derde deel van een trilogie over het mens-zijn. Het eerste deel stamt uit het jaar 2000 en heette Songs From The Second Floor, deel twee kwam zeven jaar later en werd als You, The ­Living uitgebracht. Beide films bevatten beelden die zich permanent in het geheugen hebben genesteld. In dat laatste is Andersson een kei.

Gestileerde tableaus
De trilogie is een inmiddels tot monumentenstatus verheven verzameling korte scènes en sketches, die geen doorlopend verhaal vertellen, maar in stijl, inhoud en werking een volstrekt organisch en uniek geheel vormen. Wat eruit opdoemt, is een treffend en troostrijk mensbeeld, dat zowel liefdevol als meedogenloos is.

De archaïsche term 'het menselijk tekort' is meer iets voor boekhouders; wie naar Andersson kijkt, ziet en herkent de worsteling en het ongemak. We doen allemaal ons best, maar of het goed genoeg is, valt te betwijfelen. Andersson illustreert dat in voortreffelijk gestileerde tableaus, die een tragikomische werking hebben.

Na de duif en de huishoudelijke mededeling slaat hij meteen geweldig toe met een drietal scènes die als 'drie ontmoetingen met de dood' worden aangekondigd. In ontmoeting 1 kijken we in de eetkamer van een flatwoning en zien we door de keukendeur een vrouw die neuriënd het eten bereidt. Haar te dikke man, in een te strakke broek, neemt intussen de wijnfles ter hand, pakt de kurkentrekker en is na poging één, twee en drie de sigaar.

Schets van vriendschap
Het doorkijkje, de opbouw en de aandoenlijk lullige val maken de sterfscène tot een typische Anderssonklassieker, die over een jaar of zeven ineens door het geheugen kan spoken, wanneer een muurvaste kurk een glaasje in de weg staat.

Tot zover de eerste minuten van Anderssons droogkomische meesterwerk. Er volgen er nog een stuk of negentig en er zit geen misser tussen. Liefdevol is de maker in zijn schets van de vriendschap tussen twee falende handelsreizigers, meedogenloos in de afrekening met het kolo­niale verleden en onze omgang met dieren. Aandoenlijk en grappig is hij altijd.


Lees vandaag (4-3) in PS van Het Parool een reportage vanuit Stockholm, op bezoek bij Andersson.

(Door: Bart van der Put) 
 

Anouar Brahem: Souvenance

 

 

In 2010 brak in Tunesië de Jasmijnrevolutie uit. Later sloeg dit fenomeen naar andere landen over en leerden wij de Arabische lente kennen. Helaas moet na vier jaar worden geconcludeerd dat de Arabische lente de bevolking van betrokken landen bitter weinig heeft opgeleverd. Zo is Libië na de afzetting van Kaddhafi ten prooi gevallen aan een stammenstrijd, die het hele land in zijn greep houdt. In Egypte heeft men de ene alleenheerser voor de andere ingeruild en in Syrië strijden vele partijen vooral tegen elkaar. Tevens exporteert men geschillen in toenemende mate naar Europa en andere werelddelen.

Componist Anouar Brahem liet zich bij het tot stand komen van zijn nieuwe werkstuk Souvenance inspireren door de Arabische lente. Juist in zijn geboorteland Tunesië lijkt de revolutie met vallen en opstaan voorlopig de meeste kans op enig succes te boeken. Volgens Brahem gaat het om buitengewone gebeurtenissen, die het leven van miljoenen mensen opschudden en hopelijk duurzaam veranderen. De gehele samenleving wordt als het ware in het diepe gegooid. Veranderingen gaan gepaard met gevoelens van zowel grote angst als met vreugde en hoop. Niet dat er een oorzakelijk verband is tussen de composities en de gebeurtenissen, aldus Brahem, maar de Arabische lente heeft hem uiteraard niet onberoerd gelaten. De onrust en veranderingen hebben uiteindelijk toch de nodige impact op zijn leven en werk gehad.

Brahem presenteerde zijn nieuwe werk Souvenance voor het eerst in het Romeinse theater van Carthago voor een publiek van 8000 mensen. Het album werd vorig jaar opgenomen in Lugano. Dit gebeurde onder leiding van producer Manfred Eicher. Hij voorzag al menig album van het hoog in aanzien staande ECM-label van een glashelder geluid. Brahem laat zich op Souvenance bijstaan door de geweldige pianist François Couturier, Klaus Gesing (basklarinet/sopraan saxofoon) en Björn Meyer (bas). Het Tallinn Chamber Orchestra speelt verder een prominente rol. Zoals vanouds staat vanzelfsprekend de oud (snaarinstrument afkomstig uit het Midden Oosten) centraal, door Brahem zelf bespeeld.

Het album opent met Improbable Day. De kans op revolutie in zijn vaderland was onwaarschijnlijk klein, maar toch begon juist daar de Arabische lente. Dit gegeven onderstreept Brahem niet met tromgeroffel of schetterend koper. Nee, op bedaarde toon zwaait hij de scepter. Voert aanvankelijk een elegante piano de boventoon, al rap wordt deze van breekbare orkestratie en oud vergezeld. Bas en blazers zorgen verderop het album juist voor de nodige scherpte en dynamiek. Elders is de toonzetting van meer dramatiek voorzien en wordt ook het geweld en de grimmigheid van de revolutie in al zijn subtiliteit hoorbaar.

Aanvankelijk liet zich dit dubbelalbum als net iets teveel van het goede beluisteren. Inmiddels weet ik beter en ben ik gebiologeerd geraakt door dit ontroerende werkstuk. Wellicht geheel in tegenstelling tot de thematiek, ervaar ik het nochtans als een even langdurig als weldadig warm bad.

 

 

vrijdag 30 januari 2015

recensie: Henri

De kroegbaas en de vlinder

27 januari 2015

 


 

Toe aan een portie bitterzoete slow cinema? Dan moet je in Wallonië zijn.

Henri speelt zich af rondom zo'n typisch Belgisch café. De dagelijkse stamgasten happen in hun pint en staren naar het achterwerk van barvrouw Rita. Haar man, de zwijgzame Henri, staat in de keuken zijn ergernis te verbijten. Het huwelijk van de café-uitbaters verkeert in de terminale fase. Henri krijgt meer liefde van zijn duiven dan van zijn extraverte vrouw.

Lekker goedkoop 

De film is nog geen tien minuten op streek of regisseuse Yolande Moreau gooit er een grote plotwending tegenaan. Rita gaat dood en Henri moet alleen verder. Om het café-restaurant draaiende te kunnen houden, huurt hij op aanraden van zijn dochter een 'witte vlinder' in, een verstandelijk gehandicapte. Lekker goedkoop en overal inzetbaar.

Daarmee komt de eigenlijke hoofdpersoon van Henri het verhaal binnen zetten: Rosette, een licht verstandelijk beperkte vrouw van rond de dertig die in een nabij gelegen instelling woont. De baan in het café betekent voor haar de mogelijkheid om een soort van normaal bestaan op te bouwen. Bij zo'n gewoon leven hoort volgens Rosette ook romantiek. In het zwembad gluurt ze naar een vrijend stelletje. Ze vat een verliefdheid op voor haar zwijgende baas. Henri is na het overlijden van zijn vrouw één groot brok verdriet, op zoek naar troost en genegenheid.

Poëtisch vuurwerk 
Aan dat gegeven ontleent Henri het spanningsveld dat de film steeds interessant houdt. Want verder gebeurt er eigenlijk niet zoveel. Moreau is niet zozeer geïnteresseerd in grootse dramatische ontwikkelingen. Liever schetst ze de tragikomische herhaling van dagelijkse rituelen en zoomt ze in op de verdrietige koppen die het café bevolken. Om soms even uit te pakken met poëtisch vuurwerk, zoals wanneer Rosette danst in een wolk van geloste postduiven. Het lijkt alsof Aki Kaurismäki, de Finse meester van de grappige treurigheid, even in Wallonië is neergestreken. Klein maar fijn, deze film.

zondag 16 november 2014

Mark Rothko

De weg naar emotie in abstractie

20 oktober 2014
 

Het Gemeentemuseum Den Haag toont dit najaar een uniek, uitgebreid overzicht van het werk van de Amerikaanse abstract-expressionist Mark Rothko (1903-1970). De tentoonstelling biedt de bezoeker de kans om zaal na zaal in vervoering gebracht te worden door dezinnenprikkelende klassieke werken en geeft tegelijkertijd aandacht aan de manier waarop de kunstenaar vanuit het figuratieve uiteindelijk tot zijn absolute eindpunt van de schilderkunst kwam.

Wie ooit een Rothko in het echt heeft kunnen aanschouwen kent de aantrekkingskracht die zijn werk kan hebben en zal in het Gemeentemuseum overweldigd worden door de hoeveelheid werken die hier tentoongesteld zijn. Het is een absoluut unicum om zo'n grote verzameling Rothko's bij elkaar te zien. De meerwaarde die deze tentoonstelling heeft is dat hij bij weet te dragen aan het begrip van het werk van de kunstenaar. Ook bezoekers die niet zozeer gegrepen worden door zijn onmetelijke schilderijen en de emotie die in de abstractie verscholen ligt heeft deze tentoonstelling daardoor iets te bieden.  

Mark Rothko, Untitled (man and two women in a pastoral setting), 1940. National Gallery Washington. Foto: Gemeentemuseum Den Haag
Mark Rothko, Untitled (man and two women in a pastoral setting), 1940. National Gallery Washington. Foto: Gemeentemuseum Den Haag

Voordat Rothko begon met het maken van zijn bekende klassieke werken schilderde hij in een verrassend figuratieve stijl. De bezoeker heeft de mogelijkheid uit twee routes te kiezen: de emotionele route, die direct de diepte van de klassieke periode induikt, of de rationele route, die de bezoeker langs de ontwikkeling van Rothko's werk leidt. Wie niet direct de zaal met de immense doeken wordt ingezogen zal beginnen met het ontdekken van de manier waarop in zijn oeuvre het ene werk het andere werk voortbrengt. Bij veel bezoekers zal nieuwsgierigheid gewekt worden door de figuratie van zijn vroege werk, dat hier in de eerste zaal getoond wordt. Deze rationele route toont stap voor stap Rothko's zoektocht naar de ideale kunstvorm. De surrealistische figuren waar hij mee start vervagen langzaam tot abstracte, maar nog steeds organische vormen in zijn multiforms. Uiteindelijk versmelten deze dansende druppels tot de volledig abstracte, gloeiende kleurvlakken van zijn klassieke periode, waar wel altijd dynamiek en diepte in te vinden zijn. 

Mark Rothko, No. 2, 1947 en No. 10, 1948 (multiforms). National Gallery of Art, Washington. Foto: Nina Fontijne
Mark Rothko, No. 2, 1947 en No. 10, 1948 (multiforms). National Gallery of Art, Washington. Foto: Nina Fontijne

Spirituele connectie tussen kunstenaar en kijker
Rothko stapte over naar abstractie omdat hij dit bij uitstek de kunstvorm vond om tot mensen te spreken. Voor hem waren deze werken het eindpunt in de schilderkunst, zoals het Zwart Vierkant dat voor Malevich (1878-1935) was. Het was voor Rothko dan ook onbegrijpelijk en onverdraagzaam dat tegelijkertijd met zijn werk een stijl in opkomst was die lijnrecht tegenover zijn abstract expressionisme stond. Via Jasper Johns (1930) en Robert Rauschenberg (1925-2008) ontwikkelde zich in de jaren 50 namelijk de Pop Art, die de kunst op een andere manier toegankelijk voor het publiek wilde maken. Wanneer je omringd wordt door de sereniteit van Rothko's klassieke werken begrijp je waarom de kunstenaar de meer luidruchtige Pop Art niet waardeerde. De zwevende, vibrerende kleurvlakken in Rothko's werk zijn ongrijpbaar, maar het werk pakt de toeschouwer bij de lurven om niet los te laten voor hij volledig in het doek gezogen wordt, en onderdeel is van een wisselwerking tussen kunstenaar en kijker.

Rothko wilde met zijn werk dezelfde spirituele ervaring teweeg brengen die hij had toen hij het werk schilderde. Deze ervaring is geen denkproces, maar gaat om het gevoel, waarbij het werk je als een atmosfeer naar zich toezuigt en waarbij fysische grenzen worden losgelaten. De kijker zou het werk lichamelijk gaan ervaren en als het ware contact met de ruimte verliezen door op te gaan in het doek. Rothko wilde dit bereiken door tegenstellingen tussen onder en boven, donker en licht en verschillende kleuren. Het kunstwerk vormt als het ware een venster tussen de emotie van de kunstenaar en de ervaring van de kijker.

Het enige dat die ervaring in de weg staat is de onvermijdelijke drukte die de populariteit van Rothko in het Gemeentemuseum met zich meebrengt. Rothko zelf zei dat zijn werk in stilte, zonder obstakels, bekeken zou moeten worden en in dat opzicht staat het succes van de tentoonstelling Rothko's bedoelingen in de weg. Maar zelfs een zaal vol geïntrigeerd gekakel verdoezelt de sublieme schoonheid niet. Wanneer je voor het doek staat lijkt de zaal stil te vallen en sta je als kijker aan de grond genageld. Zijn werk appelleert aan iets onbekends, dat de zintuigen lijkt te overstijgen.

Zaaloverzicht. Foto: lost-painters.nl
Zaaloverzicht. Foto: lost-painters.nl

Interessant is hoe in het Gemeentemuseum Rothko op verschillende wijzen wordt getoond. De ideale vorm van zijn werk tentoonstellen is, hoewel Rothko daar zelf veel over te zeggen had, altijd problematisch. Rothko schreef zijn kijkers voor 50 centimeter van het doek af te staan om volledig opgenomen te kunnen worden door het werk, maar hoewel dat vaak niet mogelijk is vanwege de afstand die de bezoeker dient te houden, word je toch omringd door zijn werk in de grote zalen. In iedere zaal wordt de stemming begeleid door schemering, en de bezoeker kan hier ervaren hoe het is om een zaal vol met zijn werk te zien in vergelijking met een meer eenzame opstelling in de kabinetten, waar slechts een werk in een ruimte hangt.

Het absolute einde
De meer monochrome, donkere werken die Rothko tegen het einde van zijn leven maakte zijn grimmiger en reflecteren de depressies die zijn leven op dat moment overheersten. Hij wilde met deze schilderijen absolute gebaren maken en ze missen dan ook de openheid van zijn eerdere werken, maar in handen van Rothko is zelfs grijs en zwart stralend.

Piet Mondriaan, Victory Boogie Woogie, 1942-1944. Mark Rothko, Untitled, 1970, National Gallery of Art, Washington. Foto: jpekker.nl
Piet Mondriaan, Victory Boogie Woogie, 1942-1944. Mark Rothko, Untitled, 1970, National Gallery of Art, Washington. Foto: jpekker.nl

In een van de zalen zien we een ontmoeting tussen Rothko en Mondriaan. De Victory Boogie Woogie (1942-1944) heeft een stapje opzij moeten doen voor het laatste werk uit Rothko's oeuvre, het bloedrode, ijzingwekkende Untitled (1970) dat hij vlak voor zijn zelfmoord maakte. De kennis van zijn naderende dood speelt natuurlijk mee bij de perceptie van dit werk, maar waar het rood in vroegere schilderijen meer meditatief is lijkt het hier eerder paniek uit te stralen. Het zien van deze Rothko naast de andere meester van abstractie is verrassend, maar de link die het Gemeentemuseum legt is uiterst logisch. Hoewel beide kunstenaars verschillen in hun aanpak, waarbij Mondriaan de koele, geometrische abstractie vertegenwoordigt en Rothko de lyrische abstractie, vloeien ratio en emotie, gelijk met de twee routes van de tentoonstelling, voort in een gezamenlijk doel: het zoeken naar een spirituele ervaring en een hogere werkelijkheid. Het Gemeentemuseum, dat ooit door Berlage gebouwd is als een 'tempel voor de kunst' is dan ook een waardige gastheer voor deze bijzondere tentoonstelling.